De optredens van de Aktionisten zorgden steeds vaker voor schandalen. Dit culmineerde in 1968 in de happening Kunst und Revolution die in het kader van studenten­protesten georga­ni­seerd werd door de kunstenaar Peter Weibel en plaatsvond in een prominente collegezaal van de Weense universiteit.

De ontwerpers en kunstenaars in de Oosten­rijkse avant-garde waren geobsedeerd door theorieën over maatschappelijke verandering. Hoewel hun manifesten vaak erg radicaal waren, werden opvallend veel concrete projecten gerealiseerd.

De behoefte aan radicale verandering mani­fes­teerde zich in het naoorlogse Oosten­rijk in een serie megalomane stads­ont­werpen. Deze pro­jecten delen een obsessie met technologie en infrastructuur en een drang om compleet nieuwe manieren van samenleven te creëren.

Het Aktionisme is de geheel eigen, Oosten­rijkse variant van de performancekunst. Door middel van choreografieën met naakte licha­men, verf en bloed in combinatie met luide muziek brachten zij de deelnemers en het publiek in een roes.

In de tweede helft van de jaren vijftig ontstond een nieuwe belangstelling voor de abstracte avant-garde van de jaren twintig, de pseudo-machine style van het Bauhaus en de universele totaalkunst van De Stijl. Joost Baljeu verkende deze erfenis en raakte in de ban van de multidisciplinaire kunstenaar en voorman van De Stijl, Theo van Doesburg.

Het Nederlandse paviljoen, naar ontwerp van Jaap Bakema en youngster Carel Weeber, bestendigde de exclusieve oude banden van ons land met Japan, stond in het teken van de technische vooruitgang van ons land, het logistieke karakter van onze economie en de voor velen verbazingwekkende ligging onder de zeespiegel.

Tot begin jaren tachtig speelde het Stedelijk Museum Amsterdam dankzij directeur Willem Sandberg een belangrijke rol in het debat over de vormgeving. Sandberg was zelf grafisch ontwerper en overtuigd van de mogelijkheden om design, via het museum, een onderwerp te maken van maatschappelijk belang.

In de loop van de jaren zestig bemoeide de overheid zich steeds meer met de kunsten, door middel van subsidies, beurzen en op­drachten voor ontwerpers en kunstenaars. Maar in de praktijk vond het nieuwe overheids­beleid eerst maar moeilijk zijn weg. Dat is goed te zien aan de verwerving en plaatsing van het Picasso’s beeld Sylvette in Rotterdam.

Geen project werd zozeer het uithangbord van het moderne Nederland als de luchthaven Schiphol in de buurt van Amsterdam. Van een eenvoudig vliegveld met beperkte faciliteiten wilde de directie met een totaal nieuw ontwerp aansluiten bij het groeiende internationale luchtverkeer.

Een galerie voor moderne kunst was aan het begin van de jaren zestig in Nederland nog een bijzonderheid. De Amsterdamse galerie van Riekje Swart opende in 1964 en bracht kunst die zich sterk afzette tegen de individuele expressie. Kunstenaars als Bob Bonies, Ad Dekkers en André Volten exposeerden veel­vuldig met conceptueel werk dat zich richtte op een ordening van geometrische vormen.

Nederland kent een interessante geschiedenis als het gaat om de vertegenwoordiging tijdens internationale presentaties. De kans om ons land te presenteren tijdens wereldtentoonstel­lingen en internationale kunst- en architectuur­biënnales, politieke topbijeenkomsten en zelfs Olympische Spelen, roept telkens de vraag op wie of wat willen we zijn.

De Oosterscheldekering in 1986 was de afronding van het Deltaplan, en betekende het einde van een tijdperk van het maakbare Nederlandse landschap. In deze periode werd het landschap ook steeds meer voor recrea­tieve doeleinden gebruikt – met de experience parken van Center Parcs als resultaat.

De woningbouw na de Tweede Wereldoorlog werd gekleurd door schaarste en grootschalige volkshuisvesting. Er was in de sociale woning­bouw een element van volksopvoeding aanwezig: goede woningen met voldoende buitenruimte en goede werkomstandigheden zouden vanzelfsprekend leiden tot zowel mentaal als fysiek gezonde burgers.

De beperkte ontwikkeling van de Nederlandse industrie vanaf de jaren 70 betekende een gedwongen vrijheid voor jonge ontwerpers die vaak met kleine series handmatig vervaardigde producten een nieuwe werkwijze ontwikkelden. Er ontstond een spanningsveld tussen het unieke museum-object, en de ambitie van ‘moreel’ ontwerp voor een groot publiek.

Op 7 februari 1969 kreeg de Technische Hogeschool ministe­riële goedkeuring voor de nieuwe studierichting Indus­triële Vormgeving. Hoogleraar Van der Grinten spoorde zijn studenten aan tot een probleemanalytische houding, door kennis te vergaren over productietechnieken en aandacht te hebben voor de gebruikskwaliteit van de producten.

Vanaf de jaren zestig ontstond er door modernistische adviseurs een gelijkgestemde moderne culturele ambitie binnen grote staatsbedrijven als de PTT en de Staatsuitgeverij. Met name de PTT wist zichzelf overal zichtbaar te maken, door inzichten uit de moderne marketing met hedendaagse beeldende kunst te combineren.

Het laatste deel van de tentoonstelling ‘Victor Papanek: The Politics of Design’ laat zien hoe hedendaagse ontwerpers zich verhouden tot de thema’s van Papanek. Hier vind je de tentoonstellingstekst.

Papanek inspireerde vele generaties ontwerpers. Het derde deel van de tentoonstelling ‘Victor Papanek: The Politics of Design’ toont hun werk rond het thema ‘minderheden’. Hier vind je de tentoonstellingstekst. 

In het tweede deel van de tentoonstelling ‘Victor Papanek: The Politics of Design’ leer je Papanek beter kennen. Hier vind je de tentoonstellingstekst. 

Het eerste deel van de tentoonstelling ‘Victor Papanek: The Politics of Design’ laat de invloeden, wisselwerkingen en creatieve verbindingen in het leven en werk van Papanek zien. Hier vind je de tentoonstellingstekst. 

De tentoonstelling ‘Victor Papanek: The Politics of Design’ begint met een korte introductie over Victor Papanek en zijn gedachtegoed. Hier vind je de tentoonstellingstekst. 

Fredric Baas, conservator van de tentoonstelling BodyDrift – Anatomies of the Future, deed twee jaar onderzoek naar het onderwerp posthuman. In deze serie artikelen neemt hij je mee in zijn onderzoek. Dit is deel 2: ‘What do posthumans wear?’

The Fabricant

Het thema posthuman gaat lang niet alleen over design. Ook van bepaalde muziek gaat je cyborghart harder kloppen. Welke platen horen volgens jou in deze posthuman platenkast?

De werken in het deel ‘Beyond the Body’ in de tentoonstelling BodyDrift – Anatomies of the Future laten het menselijk lichaam achter zich. Ze tonen hoe maakbaar en beïnvloedbaar we zijn geworden, en roepen op tot reflectie op wat ons nog aan ‘zelf’ resteert.

Beyond the Body in Design Museum Den Bosch. Letters door Bart Hess. Foto Ben Nienhuis

Ons lijf wordt, bewust en onbewust, geanalyseerd en gedigitaliseerd waarbij het onderscheid tussen de private en publieke sfeer steeds meer vervaagt. Ontdek ‘The Biometric Body’ in de tentoonstelling BodyDrift – Anatomies of the Future.

Heather Dewey - Hagborg in Design Museum Den Bosch. Foto Ben Nienhuis

De werken in het deel ‘Better Bodies’ van de tentoonstelling BodyDrift – Anatomies of the Future delen een fundamenteel vertrouwen in het menselijk lichaam. Het lijf wordt hier uitgebreid, verfraaid, verdedigd en bewapend; het is klaar voor de toekomst.

Better Bodies, letters door Bart Hess, foto door Ben Nienhuis

Fredric Baas, conservator van de tentoonstelling BodyDrift – Anatomies of the Future, deed twee jaar onderzoek naar het onderwerp posthuman. In deze serie artikelen neemt hij je mee in zijn onderzoek.

BodyDrift - Anatomies of the Future. Foto door Ben Nienhuis (3)