In de eerste helft van de 20ste eeuw werd de keuken behandeld als een technisch vraagstuk: een ruimte die met wetenschappelijke precisie moest worden afgestemd op het lichaam dat er werkte. De Bruynzeelkeuken van Piet Zwart uit 1938 is daar een duidelijk voorbeeld van. Wat oogt als een frisse, moderne keuken was in feite een uitgekiend systeem, ontworpen rond één specifieke gebruiker: de huisvrouw.
Geïnspireerd door de efficiencybeweging en de time-and-motion studies werd het huishouden benaderd als een fabriek in het klein. De keuken werd een lopende band voor zo min mogelijk stappen, zo min mogelijk bukken, en met alles binnen handbereik. De hoogte van het aanrecht, de plaats van het fornuis en de indeling van de kasten waren exact afgestemd op het gemiddelde vrouwenlichaam. Dat maakte het werk lichter, maar legde tegelijk vast wie dat werk geacht werd te doen. Wat als vooruitgang werd gepresenteerd, bevestigde ook de rolverdeling in huis.
Opmerkelijk genoeg vormt dit gedachtegoed nog altijd de basis van moderne keukens. Ook nu worden keukens ontworpen volgens ergonomische standaarden, werkdriehoeken en optimale looplijnen, nog steeds gericht op een zogenaamd gemiddeld lichaam.