Nationalisme gaat altijd over grenzen. Letterlijke grenzen, want een moderne staat is het hoogste gezag binnen een bepaald grondgebied. De omvang van dat grondgebied moet dus vastliggen. Maar ook figuurlijke grenzen, tussen landgenoten en buitenlanders. Wat maakt een groep mensen een ‘natie’? Is dat een gedeelde status, afkomst, geschiedenis, taal, cultuur, of zelfs etniciteit?
Lang hadden de meeste mensen geen papieren nodig om een grens over te steken. Het industriële tijdperk maakte staten machtiger, en bracht grote migratiegolven op gang. Een nieuw beeld van de natie, als een etnisch zuiver ‘volk’, versterkte het wantrouwen tegen vreemdelingen. Grenzen golden steeds meer als harde verdelingen. Een (soms letterlijke) muur tussen landen.
Hoe hard of poreus de grens is, staat echter nooit helemaal vast. Grenzen hebben voortdurende bevestiging nodig. De grens wordt gemarkeerd op kaarten, of met grenspalen in het landschap. Politici en media hameren op het belang ervan, bijvoorbeeld in berichtgeving over immigratie. Douaniers, hekken of camera’s bepalen wie ‘legaal’ of ‘illegaal’ de grens oversteekt.
De technologie van de grens
De moderne nationale staat geldt als ‘soeverein’ – de hoogste baas binnen zijn eigen grenzen. Daarmee wordt het belang van de grens ineens een stuk groter. In de 19e en 20ste eeuw gebruikten staten nieuwe technologieën om hun onderdanen te classificeren en ‘vreemdelingen’ buiten de deur te houden. Pas na de Eerste Wereldoorlog werd het paspoort zoals we dat nu kennen gestandaardiseerd. Inmiddels gebruiken veel staten zelfs paspoorten met biometrische gegevens. Camera’s en bodyscanners maken grensbewaking steeds intiemer en persoonlijker.
Grondgebied claimen
In de loop van de 19e eeuw betoogden steeds meer Europese politici en intellectuelen dat de staat en de natie één moesten zijn. Zoveel mogelijk landgenoten moesten in één grondgebied verenigd worden. Tegenstrijdige claims op nationaal grondgebied werden onder andere met landkaarten gelegitimeerd. De ‘echte’ natie werd bepaald met subjectieve criteria. Bijvoorbeeld taal, cultuur of het pseudo-biologische begrip ‘ras’. In de late 19e eeuw tekenden Europese staten ook grenzen voor de door hen gekoloniseerde gebieden in Afrika en Azië, zonder respect voor lokale staten, regeringen of identiteiten.
Het nationale landschap
Veel nationalistische ideeën leggen een link tussen de natie en het landschap. In de 19e eeuw gold het natuurlijke landschap als een tegenhanger van de verdorven moderne wereld. Kunstenaars trokken de bergen in om het vaderland op doek te vereeuwigen. Nieuwe toeristische organisaties, zoals de Zweedse Toeristenvereniging (STF) in 1885, moest de bevolking hun ‘eigen land leren kennen’. Dit ‘land’ hing vaak samen met een specifiek beeld van de natie. Zo werden de nomadische Sámi-volkeren van Noord-Scandinavië als exotisch en primitief afgeschilderd.