Het moderne nationalisme heeft een obsessie met authenticiteit: datgene wat echt en waar is. Elke natie, zo heet het, heeft zijn eigen karakter. Buitenlandse invloeden zijn niet authentiek en dus verdacht. Het volk moet zijn eigen, oorspronkelijke cultuur weer terugvinden.
De oorsprong van dit romantische idee ligt in de 19e eeuw. De industriële revolutie veranderde de wereld in een duizelingwekkend tempo. Intellectuelen zochten houvast in de geschiedenis, het platteland en de traditie. Ook vormgeving kreeg hierin een rol. Verschillende lokale stijlen en ambachten werden uit hun verband gehaald. Het werden uitdrukkingen van de ‘nationale ziel’. Zo creëerden kunstenaars en ontwerpers een nieuwe, nationale cultuur. Ook al spraken ze zelf van een herontdekking.
Industrie en design kregen tegelijkertijd een rol in de concurrentiestrijd tussen staten. Wereldtentoonstellingen toonden bronnen van nationaal prestige: bewijzen van modernisering, ‘beschaving’, en koloniale veroveringen. Nationalistische ideeën kregen zo ook meer invloed in Afrika en Azië. Daar gold een moderne nationale cultuur als tegengif tegen Europese onderdrukking.
De ware volkskunst
De 19e-eeuwse obsessie met traditionele volkskunst beïnvloedde allereerst de muziek en de literatuur. Maar ook ontwerpers en beeldende kunstenaars zochten inspiratie bij volkstradities. Vooral in Centraal- en Noordoost-Europa richtten ze kunstkolonies op. Ze zochten daar de basis voor een nationale kunststijl. Het leidende principe was primitivisme: hoe oorspronkelijker, hoe authentieker. Dat leidde soms tot vreemde taferelen. Zo werden in Zweden speciale pottenbakkersscholen opgericht, waar boeren hun ‘eigen’ traditie aangeleerd kregen.
Wereldtentoonstelling
In 1851 werd in Londen de beroemde Great Exhibition georganiseerd. Op deze eerste Wereldtentoonstelling toonden allerlei landen hun vakmanschap en industrie. Het evenement trok maar liefst zes miljoen bezoekers. In de jaren daarna groeiden internationale tentoonstellingen uit tot belangrijke ‘etalages van de natiestaat’. Europese staten pronkten ook met de door hen gekoloniseerde gebieden. Koloniale tentoonstellingen presenteerden kunstvoorwerpen, dieren en zelfs mensen als exotische bijzonderheden. Opvallend genoeg versterkten deze tentoonstellingen zo ook het nationaal bewustzijn in die gekoloniseerde gebieden.
Nationaal designicoon
In de 20ste eeuw ontstond het industriële design zoals we dat nu kennen. Ook moderne ontwerpen worden vaak als uiting van een nationale cultuur gezien. De ontwerpen van Dieter Rams zijn bijvoorbeeld ‘typisch Duits’: degelijk en functioneel. Vaak worden zulke etiketten pas achteraf geplakt. Zo ontwierp Gerrit Rietveld rond 1918 zijn beroemde ‘Rietveldstoel’ voor een nieuwe, industriële wereld. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd de stoel ineens als ‘typisch Nederlands’ gezien. Dat paste bij het nieuwe zelfbeeld van Nederland: vooruitstrevend en egalitair, weg van de verschrikkingen van het fascisme.