Posthuman

Zó Post­human (3): Monster­lijke men­sen en men­se­lijke mon­sters

8 maart 2022
Artikel

Dit is de derde column van een terugkerende reeks. Hierin delen conservatoren hun inzichten over alles wat met ‘posthuman’ te maken heeft.

Je hoeft maar een gotische roman open te slaan of een griezelfilm op te zetten, en je ziet al snel dat gothic geobsedeerd is door het menselijk lichaam. Ledematen wor­den afgerukt en groeien weer aan; ontbindende lijken graven zich een weg te­rug naar boven; mensen van vlees en bloed veranderen in afstotelijke gedrochten of wor­den bezeten door vraatzuchtige demonen uit een andere wereld. Ons uiter­lijk, ons geslacht of gender, onze seksualiteit, onze gezondheid, onze on­aan­tast­baar­heid, onze (on)sterfelijkheid… niets is meer veilig. En als we niet meer men­se­lijk zijn… wat zijn we dan wel?

Het thema posthumanisme, waarmee we voorbij de grenzen van de mens kijken, roept voortdurend diezelfde vraag op. In deze column wil ik daarom eens kijken wat gothic en ‘posthuman’ met elkaar te maken heb­ben.

In de gothic verbeelding is niets wat het lijkt: een monster is nooit zomaar een monster. Vaak staan de grenzen tussen lichaam en ziel of dood en leven zélf op losse schroeven. Wat dacht je bijvoorbeeld van spoken: wezens die geen lichaam (meer) hebben, maar toch met deuren slaan, kaarsen laten flakkeren en plots in de spiegel van je medicijnkastje verschijnen? Of vampiers, die dood noch levend, mens noch beest zijn? Deze wezens brengen ons in onzekerheid over wat waar hoort en waar niet. Die gothic fascinatie voor het Unheimische is, volgens cultuurcriticus en gender­wetenschapper Judith Halberstam, bij uitstek modern:

“Gothic […] markeert een opvallend moderne bezorgdheid over grenzen en hun verval. Bovendien verschillen gothic monsters van de monsters van vóór de negentiende eeuw doordat de monsters van de moderniteit zich kenmerken door hun nabijheid tot mensen.” — Judith Halberstam, Skin Shows: Gothic Horror and the Technology of Monsters (1995)

Dat roept al snel associaties met het posthumanisme op. Posthumanisme onderzoekt de grenzen van de mens; de manieren waarop het menselijk lichaam kan worden aangepast of zelfs overstegen. Dat proces is voor sommigen een nobel doel. Maar het roept ook diepe onzekerheden, angsten en vragen op, die zich gemakkelijk naar gothic beelden en associaties laten vertalen. In een ander boek omschrijft Halberstam het posthumanistische lichaam als volgt:

“Het posthumanistische lichaam is een technologie, een scherm, een geprojecteerd beeld. Het is een lichaam onder het teken van AIDS, een besmet lichaam, een dodelijk lichaam, een techno-lichaam; het is, zoals we zullen zien, een geslachtelijk of seksueel ongewoon (queer) lichaam.” — Judith Halberstam en Ira Livingston, “Introduction: Posthuman Bodies”, in Posthuman Bodies (1995)

In deze opsomming vinden we bevrijding (technologie, queer), maar ook onechtheid (scherm, projectie) en zelfs verdoemenis (besmetting, dood). Posthumanisme zet ons idee van veiligheid en zekerheid op zijn kop. Het ontwerp van de nieuwe mens is spannend, maar kan ook uitgesproken griezelig uitpakken. Denk bijvoorbeeld aan de futuristische maar ook perverse biomechanoids van de Zwitserse ontwerper HR Giger, te zien in de tentoonstelling GOTH – Designing Darkness.

Werken van HR Giger in de tentoonstelling GOTH – Designing Darkness. Foto door Chantal Lenting voor Design Museum Den Bosch.

Veel gotische romans verwijzen naar de technologische en weten­schap­pelijke debatten van hun tijd, en dat is geen toeval. Het bekendste en invloedrijkste voorbeeld hiervan is natuurlijk het iconische Frankenstein (1818) van Mary Shelley. Victor Frankenstein, een jonge weten­schapper, probeert in dit boek zelf een levend mens te ontwerpen. Bij het eerste teken van leven beseft hij echter onmiddellijk dat hij te ver gegaan is:

“Hoe kan ik mijn emoties bij deze catastrofe beschrijven, hoe kan ik ook de ellendeling beschrijven die ik met zulke oneindige moeite en zorg had proberen te maken? Zijn ledematen waren in proportie, en ik had voor hem mooie gelaatstrekken uitgekozen. Mooi! Grote God! Zijn gele huid bedekte nauwelijks het netwerk van spieren en bloedvaten eronder […].” — Mary Wollstonecraft Shelley, Frankenstein: or, the Modern Prometheus (1818)

Met de creatie van een nieuw soort mens worden in Frankenstein ethische, morele, en ‘natuurlijke’ grenzen overschreden. Juist de net-niet-menselijkheid van het monster maakt het zo angstaanjagend – zowel voor ons als voor zijn maker. De schemer­gebieden tussen dit soort angsten en verwachtingen zijn bij uitstek het domein van dit genre:

“Dit is altijd aanwezig in gothic: twee zaken die uit elkaar hadden moeten blijven – bijvoorbeeld waanzin en wetenschap; de levenden en de doden; technologie en het menselijk lichaam; het heidense en het christelijke; onschuld en corruptie; de buitenwijk en het platteland – worden bij elkaar gebracht, met angstaanjagende gevolgen.” — Gilda Williams, “How Deep Is Your Goth? Gothic Art in the Contemporary”, in The Gothic: Documents of Contemporary Art (2007)

De horror van vervagende grenzen en de bijbehorende ‘technofobie’ (zoals beschreven door Anthony Mandal in zijn essay “Gothic 2.0: Remixing Reventants in the Transmedia Age” (1995)) is dus een typisch thema voor gothic. Maar het is te makkelijk om te denken dat dit genre enkel met een opgeheven vingertje waarschuwt voor alles wat anders is. Gothic beelden en verhalen zijn overal in onze (pop)cultuur te vinden. Op al die verschillende plekken hebben ze zich op uiteenlopende manieren ontwikkeld. Monsters kunnen daarom eng, romantisch, grappig, flauw, of zelfs al die dingen tegelijk zijn; gotische romans en horrorfilms kunnen conservatieve boodschappen bevatten, maar ze kunnen óók de gruwel van het onrecht aan de kaak stellen.

In de horror van het posthumanisme overstijgen we ons menselijk lichaam en gaan we op in iets nieuws. Dat kan door een gothic lens bekeken ook een vorm van vrijheid zijn. De goth-subcultuur nuanceert bijvoorbeeld het aloude “goed-en-kwaad” van de gotische roman. Goths identificeren zich met de outsider. Op een bijna post­humanistische manier stijgen ze uit boven hun alledaagse “ik”; het liefst naar een wereld voorbij het verstikkende alledaagse leven. De subculturele vertakking van de cybergoths omarmt zelfs uitdrukkelijk de versmelting van mens en technologie. Ze haalt haar stijlvoorbeelden uit cyberpunkfilms als Tron, Blade Runner en The Matrix.

‘Replicant’ Pris (Daryl Hannah) en ‘genetic designer’ J.F. Sebastian (William Sanderson) in Ridley Scotts Blade Runner (1982). PictureLux / The Hollywood Archive / Alamy Stock Photo.

De laatste link met het posthumanisme ligt misschien nog het meest voor de hand: ook gothic raakt beïnvloed door de toenemende invloed van nieuwe communicatie­technologie. De vermenging tussen echt en nep, die zo kenmerkend is voor het genre, gedijt bij uitstek op het internet, aldus Mandal. We kunnen originelen namaken en ‘remixen’ tot een nieuw beeld, een nieuwe stijl, een nieuw verhaal. Op sociale media kan iedereen zichzelf zo in een vampiervleermuis veranderen – ook wie in het dagelijks leven eerder een grijze muis is.

Echt of nep? Griezelig of vertrouwd? Bloedserieus of ironisch? Juist de onzekerheid en instabiliteit van het posthumanisme maakt het een bij uitstek gothic fenomeen.