Modern Neder­­land 1963-1989

De school: nieuwe design­opleidingen in Delft en Arnhem

2 februari 2021
Artikel

Op verzoek van de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) formuleerden de ontwerpers Mart Stam (1899-1986) en Andries Copier (1901-1991) vlak na de Tweede Wereldoorlog plannen voor een universitaire opleiding tot in­dustrieel ontwerper. De Technische Hogeschool te Delft talmde lang, waarna een veelbelovende bouwkundestagiair van Philips uiteindelijk de nieuwe opleiding Industriële Vormgeving gestalte gaf: Joost van der Grinten (1927-2017). De richting IV werd onderdeel van de faculteit Bouwkunde. Het curri­culum vermeldde nadrukkelijk dat de nieuwe studierichting een geheel eigen karakter bezat.

Eerstejaarsweekend opleiding Industrieel Ontwerpen van TUDelft. Foto: Sam Rentmeester.

Pas op 7 februari 1969 kreeg de Technische Hogeschool ministeriële goedkeuring voor een nieuwe studierichting Industriële Vormgeving, waar Van der Grinten inmiddels de eerste hoogleraar was geworden. Van der Grinten wilde met de opleiding bewust afstand nemen van de denkwereld van de moderne architectuur. In plaats daarvan spoorde hij studenten aan de probleemanalytische houding van de technisch ingenieur aan te nemen, door kennis te vergaren over productietechnieken en vooral aandacht te hebben voor de gebruikskwaliteit van de producten. Voor de staf van de nieuwe opleiding vond Van der Grinten ontwerpers uit de praktijk als Wim Crouwel (1928), Bernd Schierbeek (1926-?) en Emile Truijen (1928- 2003), en later Wim Groeneboom (1940), Aat Marinissen (1933-2013) en Wim Rietveld (1924-1985).

De afdeling Industriële Vormgeving groeide in de jaren zeventig razendsnel. De sfeer onder de hoofdzakelijk jonge staf was ronduit dynamisch; men voerde een ideologische strijd om de beginselen van het ontwerpen. Sommige medewerkers wilden een opleiding die zich op de commerciële ontwerppraktijk richtte. Veel anderen propa­geerden een ontwerper die met behulp van moderne technologie bij zou dragen aan een betere samenleving. Er waren ook groepen studenten die zich soms regelrecht afkeerden van zowel hightech als de industriële consumptiemaatschappij en zich bijvoorbeeld wendden tot het ecologische gedachtegoed van Victor Papanek.

Vaak begeleidden de docenten de afstudeeropdrachten liever niet in het commerciële bedrijfsleven maar bij staatsbedrijven als PTT en Nederlandse Spoorwegen, al begon die afwijzende houding in de loop van de jaren tachtig langzaam te veranderen. De belangrijkste gemene deler in Delft was wellicht een afkeer van de kunstnijverheids-traditie. Men vond professionele aandacht voor de huiselijke omgeving overbodig: het was zelfs ronduit verboden. Tegelijkertijd met de ontwikkeling en het succes van de opleiding Industrieel Ontwerpen bleek, overigens al in de loop van de jaren zestig, dat Nederland niet de industriële samenleving zou worden die onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog was voorzien.

“Voor de grote massa in Nederland houdt het begrip industrieel ontwerpen niet méér in dan het esthetisch vormgeven. Helaas moet geconstateerd worden dat recente uitlatingen van enkele binnenhuisarchitecten en edelsmeden die zich industrieel ontwerper noemen er zeker niet toe bijdragen dat dit vooroordeel snel zal verdwijnen.” — Jan Jacobs, een van de eerste afstudeerders van de opleiding Industrieel Ontwerpen Technische Hogeschool Delft, hoofdontwerper Gispen te Culemborg en hoogleraar Industriële Vormgeving aan de Technische Universiteit Delft (1981)

(Contrapunt)

Academie te Arnhem kende een afdeling ‘Edelsmeden en vormgeving in metaal’, nog geheel geschoeid op het ambacht in materiaal en discipline. Van 1968 tot 1978 trad de jonge ontwerper Gijs Bakker (1942) aan als docent ruimtelijk vormen/ruimtelijk ontwerpen en vormde de richting om tot een opleiding voor moderne vormgeving. Vanuit zijn eigen opleiding en kennis van metalen en sieraden ontwikkelde Bakker zich tot meer universeel ontwerper. Na verloop van tijd ontwikkelde hij zich ook als industrieel ontwerper, een beroep dat in die tijd een nadrukkelijk progressief en democratisch karakter werd toegedicht. Hoewel Bakker een precieze analyse van de ontwerpopdracht voorstond, was die geheel anders dan de aanpak te Delft. In Delft vormden de mogelijkheden van de industrie, technische innovatie en de wetenschap­pelijke inzichten van de ergonomie de richtlijn. De ontwerprichting onder Bakker had daarentegen een nadrukkelijk cultureel-innovatief karakter. Dit stelde hij ten voorbeeld aan de industrie, waarmee hij met zijn studenten verschillende projecten aanging.

Gijs Bakker aan het werk, 1971. Foto: Eva Besnyö, rechten bij Maria Austria Instituut/Stedelijk Museum Amsterdam.