Modern Neder­­land 1963-1989

De woningbouw: opvoeding in de architectuur

2 februari 2021
Artikel

Als weinig andere landen in de wereld investeerde de Nederlandse overheid op grote schaal in de kwaliteit van de woningbouw. De Woningwet in 1901 was een belangrijk begin. Deze bevatte bijvoorbeeld voorschriften voor overheidsdeelname in woningbouwcorporaties, of richtlijnen voor woningbouw op het gebied van kwaliteit en hygiëne. De woningbouw na de Tweede Wereldoorlog werd gekleurd door schaarste en grootschalige volkshuisvesting. Steeds was in de sociale woningbouw een element van volksopvoeding aanwezig: goede woningen met voldoende buitenruimte (en ook dito werkomstandigheden) zouden als vanzelf, zo was de gedachte, leiden tot zowel mentaal als fysiek gezonde burgers.

Herman Hertzberger, Woonzorgcentrum De Overloop te Almere, zoals gefotografeerd voor de voorpagina van The Architectural Review van april 1985.

Vanaf de jaren zestig werd de relatie tussen verhuurders en huurders van woningen zakelijker en minder ideologisch geladen, maar in de architectuur bleef een sterk element van ethisch ontwerpen aanwezig. De architecten die zich grofweg tussen 1959 en 1969 binnen het tijdschrift Forum organiseerden – waaronder Dirk Apon (1926-2002), Aldo van Eyck (1918-1999) en Herman Hertzberger (1932) – namen de woning­bouw als belangrijkste architectuuropdracht. Zij verdiepten zich in de sociale en psychologische invloed van de leefomgeving. In deze periode ontwikkelde zich een grootschalige (sociale) woningbouw die het beoogde egalitaire karakter van de Nederlandse samenleving belichaamde.

De Peperklip van Carel Weeber. Foto: Maarten van de Biezen © Holland Luchtfoto.

(Contrapunt)

Het sluitstuk van deze sociale woningbouw was de architectuur van Carel Weeber (1937), die zeer veel opdrachten voor woningbouw kreeg, maar weigerde de gangbare progressieve ideeën over de woonomgeving te onderschrijven. Het modernisme met zijn sociale en psychologische inslag begon hij meer en meer staatsarchitectuur te vinden en hij verwierp de aanname dat de omgeving van morele invloed zou zijn op de gebruiker. De alles absorberende aandacht voor woningbouw stond volgens hem ook andere interesses en een blik op de wereld in de weg. Vanaf 1989 nam de overheid afscheid van een directe bemoeienis met de woningbouw. Als gevolg daarvan verzelfstandigden de corporaties en ontstond er een veel vrijere woningmarkt.

“Het probleem met die stroom woningbouwopdrachten was wel, dat als je eenmaal in die woningbouwtredmolen zat, je er nooit meer uitkwam. Het was ook een typisch Nederlandse problematiek, van aansluiting op internationale discussies was geen sprake meer [… …] Als ik Amerikaan was geweest, dan was ik waarschijnlijk bij een bureau als SOM gaan werken, dat is even wat anders dan dat trutten in die Nederlandse woningbouw.” — Carel Weeber, architect (2005)